Hoe wordt diabetes type 2 behandeld?

Behandelingen

Dieet, gewichtsverlies en een gezonde levensstijl blijven de hoekstenen van de behandeling van diabetes type 2. In de praktijk en zeker op lange termijn blijft dit echter voor vele patiënten moeilijk haalbaar.

Afhankelijk van de evolutie van diabetes type 2, zal voor veel mensen een medicatie behandeling nodig zijn. Deze behandeling kan een orale of injecteerbare antidiabetica geneesmiddel zijn. Medicatie vervangt nooit gezonde voeding en een gezonde levensstijl, maar is complementaire.

Diabetes type 2 moet aangepakt worden om het risico om micro- en macrovasculaire complicaties te verminderen.

Huidige diabetesmedicatie voor type 2 diabetes1

  • Biguanidines

    Zijn de basisbehandeling voor de per os behandeling van diabetes type 2 (indien goed verdragen en niet gecontraindiceerd). Ze verlagen de hyperglykemie door middel van een vermindering van de glucogenese in de lever en een verhoging van de perifere insulinegevoeligheid. Met deze klasse van geneesmiddelen is het risico van hypoglykemie laag. Metformine is de standaard.

  • Sulfonylurea en gliniden

    Sufonylureas zijn insulinesecretagogen. Zij stimuleren de vrijgave van insuline uit de betacellen in de pancreas. Deze klasse van medicatie heeft enkele bijwerkingen zoals een gewichtstoename of een verhoogd risico op hypoglykemie.

    Voorbeelden zijn glibencamide, gliclazide, glimepiride en gliquidone.

  • Meglitinidederivaten

    Meglitiniden zijn eveneens insulinesecretagogen zoals sulfonurea maar ze zijn kortwerkend. Ze veroorzaken de vrijlating van insuline via de pancreas tijdens de maaltijd. Daarom, moeten zij ingenomen worden alvorens te eten. Ze kunnen ook het risico van hypoglykemie verhogen.

    Voorbeeld is repaglinidine.

  • Alfa-glucosidase-inhibitoren

    Alfa-glucosidase-inhibitoren verlengen de absorptie van koolhydraten en helpen zo plotse postprandiale stijgingen van de glykemie te voorkomen. Deze klasse verhoogt het risico van hypoglykemie niet, maar het gebruik ervan is zeer beperkt wegens de gastro-intestinale bijwerkingen ervan. Wegens gastrointestinale bijwerkingen is hun gebruik eerder beperkt.

    Voorbeeld is Acarbose

  • Thiazolidinediones

    Thiazolidinediones verminderen de perifere insulineresistentie en bevordert zo de natuurlijke werking van insuline op niveau van spier- en vetweefsels.

    Voorbeeld is pioglitazonre

  • Dipeptidyl Peptidase 4 inhibitoren (DPP-4-i)

    Incretines (GLP-1 en GIP) zijn natuurlijke hormonen die worden afgescheiden in het begin van een maaltijd. Het is de maaltijd die hun vrijlating activeert. Ze geven ook het gevoel van verzadiging door het leegmaken van de maag te vertragen, bijgevolg is er een verminderde eetlust. Hierdoor kan een gewichtsverlies een extra gunstig effect hebben.

    Type 2 diabetespatienten produceren minder incretines. Ook de insulinesecretie is bij hen verstoord.

    Incretines werken slechts kortstondig doordat ze ter plaatse snel worden afgebroken door een darmenzym (DPP-4). De halfwaardetijd van de incretines kan worden verhoogd door dit enzym te inhiberen. Dit is wat de verschillende ‘gliptinen’ of DPP-4 inhibitoren doen.

    Deze klasse biedt weinig risico van hypoglykemie. Dit risico kan echter verhogen als het gekoppeld wordt aan een sulfonylurea of insuline, wegens een verhoogd risico van hypoglykemie door deze laatste 2 klassen.

    Saxagliptine, sitagliptine, vildagliptine, linagliptine en alogliptine behoren tot deze klasse.

  • Glucagonlike peptide-1 (GLP-1) analogen

    Ter hoogte van de pancreas stimuleert GLP-1 de secretie van insuline en blokkeert het de glucagonsecretie in functie van de glykemie. Dit incretine-effect is bij diabetici verstoord (geringere secretie van incretines en verminderde insulinerespons). Glucagonlike peptide-1 analogen bootsen GLP-1 na en stimuleren dus glucose-afhankelijke insulinesecretie, glucagonafname en vertraagde maaglediging met als gevolg ook gewichtsafname.

    Deze medicatie wordt subcutaan toegediend.

    Deze klasse biedt weinig risico van hypoglykemie. Dit risico kan echter verhogen als het gekoppeld wordt aan een sulfonylurea of insuline, wegens een verhoogd risico van hypoglykemie door deze laatste 2 klassen.

    Tot deze klasse behoren exenatide, dulaglutide, liraglutide en albiglutide.

    Weekelijkse Exenatide , dulaglutide en albiglutide zijn beschikbaar als subcutane injectie éénmaal per week.
    Liraglutide en lixisenatide zijn beschibaar als 1 x dag
    Dagelijkse exenatide is beschibaar als 2 x dag

  • Selective Sodium-Glucose coTransporter-2-inhibitoren (SGLT-2-inhibitoren)

    Ongeveer 90% van de door de nierglomeruli gefiltreerde glucose wordt gereabsorbeerd ter hoogte van de proximale tubulus door een transporter genaamd SGLT-2 (sodium-glucose cotransporter 2). Door deze transporter te blokkeren, vermindert de reabsorptie van glucose, met als gevolg dat de glykemie daalt maar ook dat het equivalent van ongeveer 280kcal/dag met de urine wordt afgevoerd in de vorm van suiker. Dit leidt ook tot gewichtsverlies als extra gunstig effect.

    SGLT2-inhibitoren werken dus volgens een mechanisme dat volledig onafhankelijk is van insuline en houden dan ook een zwak risico op hypoglykemie in.

    Dit risico kan echter verhogen als het gekoppeld wordt aan een sulfonylurea of insuline, wegens een verhoogd risico van hypoglykemie door deze laatste 2 klassen.

    Dapagliflozine, canagliflozine en empagliflozine behoren tot deze klasse.

  • Insuline

    Insuline is de basisbehandeling voor diabetes type 1.

    Bij type 2 diabetes merken we echter op dat na verloop van tijd er een vermindering van aanmaak van insuline door de pancreas is.

    Dit gaat zeer snel en hierdoor is de diabetes niet goed in evenwicht. Wanneer de productie van insuline door de pancreas te laag wordt, zijn de orale behandelingen of de GLP-1-receptor agonisten niet voldoende meer en moet er een behandeling met insuline opgestart worden.

    Injecteerbare insuline vervangt de insuline die door het lichaam aangemaakt zou moeten worden. Afhankelijk van het profiel van de patiënt, zal de arts verschillende soorten insuline kiezen.

Referentie

  1. Vanderstraeten J. La Revue de la Médecine Générale 2010;270:67-69.

NS Approval ID 1038916 Revision date 03/2017